De taal van de heiligen
De hieronder genoemde heiligen zijn op deze website afgebeeld.
De vetgedrukte link verwijst naar de pagina waarop het betreffende kunstwerk wordt besproken.
Inleiding
Hoe herken je een heilige?
Wie een Italiaanse kerk binnengaat, ziet vaak een wereld vol figuren die op het eerste gezicht moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn: een oude man, een jonge vrouw, een monnik, een bisschop of een apostel. Toch kon een bezoeker in het Italië van de late middeleeuwen en vooral in het quattrocento, de vijftiende eeuw, meestal vrij gemakkelijk zien wie er was afgebeeld. Niet omdat onder iedere figuur een naam stond, maar omdat heiligen een eigen beeldtaal hadden. Die beeldtaal was diep geworteld in de verhalen, legenden en verering van de heiligen. Een sleutel, een wiel, een zwaard, een kruis, een boek, een dier of zelfs een wond kon voldoende zijn om iemand te herkennen. Kunstenaars, opdrachtgevers en toeschouwers deelden deze beeldtaal. Voor ons is die minder vanzelfsprekend geworden, maar zij is nog steeds aanwezig in de fresco's en altaarstukken van de Italiaanse kerken. Een attribuut is daarbij geen simpel etiket. Het verwijst meestal naar een gebeurtenis uit het leven van de heilige, naar diens martelaarschap, beroep, kloosterorde of bijzondere verering. Soms is één attribuut bijna voldoende voor een zekere identificatie. In andere gevallen zijn meerdere aanwijzingen nodig. En soms kan alleen de context de identiteit onthullen.
Het verhaal in een attribuut
Sommige heiligen dragen een herkenningsteken dat bijna als een visuele naam functioneert. Petrus heeft zijn sleutels, Paulus het zwaard en boek, Andreas het X-vormige kruis en Catharina van Alexandrië het wiel. Laurentius draagt het rooster waarop hij volgens de overlevering werd gemarteld. Nicolaas van Myra is herkenbaar aan de drie gouden bollen, terwijl Maria Magdalena de zalfpot draagt. Bij andere heiligen vertelt het lichaam zelf het verhaal. Sebastiaan wordt door zijn pijlen herkend, Rochus toont de wond op zijn dij, Agnes wordt vergezeld door een lam en Lucia draagt haar ogen op een schaal. Zulke kenmerken zijn ontstaan uit verhalen over hun leven en martelaarschap en werden in de beeldende kunst vaste herkenningstekens. Ook kleding kan een belangrijke aanwijzing zijn. Franciscus draagt het bruine franciscanerhabijt en wordt vaak door zijn stigmata herkend; Clara verschijnt in het habijt van de clarissen en kan een monstrans dragen. Dominicus en Vincentius Ferrer zijn herkenbaar aan hun dominicaanse habijt, terwijl Benedictus en Romualdus door hun kloosterkleding naar hun verschillende orden verwijzen. Antonius Abt verschijnt als een oude kluizenaar, vaak met een tau-staf en varken. Nicolaas van Tolentino draagt het zwarte Augustijnerhabijt en is vooral door de ster op zijn borst te herkennen. Maar kleding of een enkel attribuut is niet altijd genoeg. Een bisschop met mijter en staf kan Augustinus, Blasius, Severus of Magnus van Oderzo zijn. Bij zulke figuren moeten we verder kijken: naar andere attributen, naar de heiligen die naast hen staan, naar de plaats waar het werk zich bevindt en naar het verhaal dat wordt verteld. Nicodemus is bijvoorbeeld nauwelijks aan een persoonlijk attribuut te herkennen; zijn identiteit wordt vooral duidelijk in voorstellingen van de Kruisafneming of Graflegging.
1. Een attribuut als een naam
Sommige heiligen dragen een herkenningsteken dat bijna als een visuele naam functioneert. Hier wordt meteen duidelijk dat de taal van de heiligen geen woordenboek is waarin ieder voorwerp maar één betekenis heeft. Een boek komt bij verschillende heiligen voor. Een staf kan zowel bij een bisschop als bij een pelgrim of monnik horen. De betekenis ontstaat pas wanneer verschillende aanwijzingen samenkomen.
Petrus is daarvan misschien het bekendste voorbeeld. Hij verschijnt meestal als een oudere man met grijs of wit haar en een baard. Maar vooral de sleutels maken hem herkenbaar. Soms draagt hij één sleutel, soms twee. Het zijn de sleutels van het Koninkrijk der Hemelen en verwijzen naar de bijzondere positie die Christus aan Petrus gaf.
Paulus is eveneens gemakkelijk te herkennen. Hij wordt meestal voorgesteld als een oudere man met een donkere baard en een hoog of kaal voorhoofd. Zijn belangrijkste attributen zijn het zwaard en het boek. Het zwaard verwijst naar zijn martelaarschap, het boek naar zijn prediking en geschriften.
Andreas draagt zijn eigen herkenningsteken bijna letterlijk met zich mee: het X-vormige kruis.
Johannes de Evangelist is vaak juist een jonge, baardloze man. Een boek en adelaar verwijzen naar zijn evangelie. Soms houdt hij een kelk vast waaruit een slang tevoorschijn komt, een verwijzing naar een legende waarin hij vergif te drinken kreeg zonder eraan te sterven.
Johannes de Doper herken je aan zijn ruige gewaad van kameelhaar, lange baard en magere gestalte, verwijzend naar zijn leven in de woestijn. Vaak draagt hij een kruisstaf en is een lam of doopschaal afgebeeld. Ook houdt hij vaak een scatola of boekrol (of tekstrol) in zijn linkerhand. Op deze rol staat traditioneel de Latijnse tekst: "ECCE AGNUS DEI" (wat betekent: "Zie het Lam Gods"). Soms wordt hij met zijn afgehouwen hoofd op een schotel getoond, als verwijzing naar zijn marteldood.
Bij Jacobus de Meerdere ligt het accent op zijn rol als pelgrim. De schelp, pelgrimsstaf en reisuitrusting verwijzen naar de lange traditie van de bedevaart naar Santiago de Compostela.
Jakobus de Mindere herken je vooral aan de vollersstok of knuppel, het werktuig waarmee hij volgens de overlevering werd gedood. Soms draagt hij een zaag, eveneens een verwijzing naar zijn marteldood. Hij wordt vaak afgebeeld met gelaatstrekken die aan Jezus doen denken.
Bartholomeüs kan worden herkend aan het mes, zijn martelwerktuig.
Filippus is herkenbaar aan de lange pelgrimsstaf of het kruis op een lange staak en het boek dat hij vasthoudt.
2. Wanneer het lichaam het verhaal vertelt
Bij sommige heiligen is niet een voorwerp, maar het lichaam zelf het belangrijkste herkenningsteken.
Sebastiaan is daarvan een bekend voorbeeld. Hij wordt meestal afgebeeld als een jonge man die met pijlen is doorboord en aan een boom of zuil is gebonden. De pijlen vertellen onmiddellijk zijn verhaal. Tegelijkertijd kreeg Sebastiaan in de renaissance een bijzondere plaats in de kunstgeschiedenis, omdat zijn martelaarschap kunstenaars de mogelijkheid bood het naakte mannelijke lichaam te bestuderen.
Rochus is eveneens aan zijn lichaam te herkennen. Hij verschijnt als pelgrim, met staf en vaak een hond, terwijl hij zijn kleding optilt en naar de wond op zijn dij wijst. Het gebaar is essentieel: de heilige wijst als het ware zelf de weg naar zijn identiteit. Zijn wond herinnert aan de pest waaraan hij volgens zijn levensverhaal leed.
Agatha draagt haar martelaarschap eveneens letterlijk met zich mee. Zij wordt afgebeeld met een schaal waarop haar afgesneden borsten liggen, of met een tang die naar haar marteling verwijst.
Agnes is een jonge vrouw met een lam, dat niet alleen naar haar naam verwijst, maar ook naar haar onschuld en martelaarschap.
Lucia draagt haar ogen op een schaal. Vaak is zij bovendien herkenbaar aan de martelaarspalm, het zwaard en een kleine olielamp, dit verwijst naar haar naam, afgeleid van het Latijnse woord lux (licht), en symboliseert het spirituele licht en haar rol als beschermheilige van het gezichtsvermogen. Agatha en Lucia laten goed zien hoe een gebeurtenis uit een heiligenlegende uiteindelijk kan veranderen in een vast beeldteken.
3. Het verhaal in één voorwerp
Soms is een heel klein voorwerp voldoende om een compleet levensverhaal op te roepen.
Catharina van Alexandrië draagt het wiel waarop zij volgens haar legende gemarteld zou worden. Vaak is zij een jonge vrouw, soms met een kroon en een zwaard. Maar het wiel is het teken waarmee haar identiteit meestal onmiddellijk duidelijk wordt. Ook draagt zij een koninklijke of martelaarskleding in wit en rood. Bovenaan het boogfresco zijn vaak rood- en blauwgekleurde engelen te zien die in de wolken of de hemel zweven, een veelvoorkomend motief in Catherina-cycli.
Margaretha van Antiochië herken je aan de draak en het kruis waarmee zij het monster overwon. De martelaarspalm verwijst naar haar dood omwille van het geloof. Soms zijn ook een kroon, parel, duif of witte bloemen afgebeeld, als verwijzing naar haar naam, zuiverheid en heiligheid.
Laurentius, of Lorenzo, draagt het rooster waarop hij volgens de overlevering werd gemarteld. Omdat hij bovendien als diaken wordt afgebeeld, versterken kleding en attribuut elkaar.
Stefanus verschijnt eveneens als diaken. Zijn herkenningsteken zijn de stenen waarmee hij werd gestenigd. Nicolaas van Myra is doorgaans als bisschop afgebeeld, maar een bisschop alleen is niet genoeg. De drie gouden bollen of zakjes goud maken hem herkenbaar en verwijzen naar het verhaal waarin hij drie arme meisjes van een bruidsschat voorzag.
Leonardus van Noblat wordt vaak voorgesteld als monnik of abt met ketenen, boeien of sloten. Daarmee wordt zijn rol als beschermheilige van gevangenen zichtbaar.
Maria Magdalena draagt de zalfpot, het voorwerp waarmee zij wordt verbonden met het zalven van Christus. Vaak heeft zij lang, loshangend haar. In latere voorstellingen kan zij bovendien een kruis of schedel dragen, wanneer zij wordt voorgesteld als boetvaardige kluizenaar. Het attribuut is hier meer dan een herkenningsteken. Het is een samengevat verhaal. Wie de zalfpot ziet, hoeft niet het hele leven van Maria Magdalena te kennen om te begrijpen dat het voorwerp iets met haar levensverhaal te maken heeft.
Sint-Hiëronymus herken je aan de leeuw, de kardinaalshoed, het boek of de pen en de schedel. De leeuw verwijst naar zijn legende, het boek naar zijn Bijbelvertaling, de schedel naar sterfelijkheid en ascese. Soms is hij afgebeeld als kluizenaar in de woestijn.
Sint-Vincentius van Zaragoza herken je aan het schip, de raaf en het boek. Het schip verwijst naar de overtocht van zijn lichaam naar Lissabon, de raaf naar de bewaking van zijn lichaam en het boek naar zijn prediking. Soms draagt hij een martelaarspalm of molensteen.
Julianus de Gastvrije herken je aan het hert, het zwaard en een boot of riem. Het hert verwijst naar de voorspelling van zijn noodlottige daad, het zwaard naar zijn leven als edelman en jager en de boot naar zijn latere leven als gastvrije veerman. Soms zijn ook een valk of hond afgebeeld.
Antonius Abt, ook Antonius de Grote of Antonius van Egypte genoemd, is de oude, bebaarde kluizenaar. Zijn tau-staf is karakteristiek, maar vooral het varken aan zijn voeten kan hem onmiddellijk herkenbaar maken. Een bel, boek of verwijzing naar vuur kan als aanvullend attribuut voorkomen.
4. De kleding vertelt bij welke wereld iemand hoort
Niet iedere heilige heeft een uniek attribuut. Bij kloosterheiligen is vaak juist de kleding een belangrijke aanwijzing.
Franciscus van Assisi verschijnt in het eenvoudige bruine habijt van de franciscanen. Maar zijn belangrijkste herkenningsteken is zijn lichaam: de stigmata, de wonden van Christus in zijn handen, voeten en soms zijde. Soms houdt hij een kruis vast of is hij in gebed verzonken. Zijn lichaam wordt daarmee een beeld van zijn navolging van Christus.
Clara van Assisi draagt het habijt van de clarissen. Zij kan een kruis, boek of lelie vasthouden, maar een bijzonder herkenningsteken is de monstrans of ciborie. Daarmee wordt haar bijzondere verering van de eucharistie zichtbaar.
Agnes van Assisi herken je aan het Clarissenhabijt, het lam als verwijzing naar haar naam, en de witte lelie als symbool van zuiverheid. Soms draagt zij een abtsstaf of regelboek, verwijzend naar haar leidinggevende rol als stichtster en abdis van kloosters in Florence en Noord-Italië.
Clara van Montefalco herken je aan het kruis of crucifix, verwijzend naar haar bijzondere verering van het lijden van Christus. Soms draagt zij een hart, verwijzend naar het kruis en de lijdenswerktuigen die na haar dood in haar hart zouden zijn aangetroffen. Ze draagt het Augustinessenhabijt. Ook kunnen de lijdenswerktuigen of een lelie voorkomen.
Sint-Monica herken je aan haar donkere weduwenkleding, een rozenkrans, een boek of kruisbeeld als teken van haar vroomheid. Soms verwijzen tranen of een zakdoek naar haar jarenlange gebeden voor de bekering van haar zoon Augustinus.
Dominicus van Guzmán is herkenbaar aan het zwart-witte dominicaanse habijt. Een ster boven zijn hoofd, een lelie of boek kunnen aanvullende aanwijzingen zijn. Soms staat er een hond met een brandende fakkel naast hem. Deze voorstelling werd verbonden met de naam van de orde: Domini canes, de honden van de Heer.
Vincentius Ferrer draagt eveneens het dominicaanse habijt. Zijn predikende houding, de vlam boven zijn hoofd, een boek en soms een bazuin maken hem herkenbaar. Zijn beeld verwijst naar zijn rol als vurige prediker en verkondiger van het geloof.
Margaretha van Hongarije is ook herkenbaar aan haar dominicanengewaad in wit en zwart. Een kroon verwijst naar haar afkomst als koningsdochter, een witte lelie naar haar maagdelijkheid en zuiverheid en een boek naar haar vrome kloosterleven.
Margaretha van Cortona herken je aan haar franciscanenhabijt en de boetesymbolen: een geselroede, boetegordel en doodshoofd. Vaak is zij afgebeeld met een hondje, dat verwijst naar het vinden van het lichaam van haar vermoorde minnaar. Soms draagt zij een klein kruisbeeld of lelie. Zij houdt haar rechterhand omhoog tegen haar borst geklemd, waarbij het kruis subtiel tussen haar vingers rust als symbool van haar diepe geloof, boetedoening en toewijding aan Christus.
Bonaventura behoort tot de franciscaanse traditie en wordt vaak als kardinaal voorgesteld. Zijn kardinaalshoed en kerkelijke kleding helpen hem te herkennen. Verder een brandend of stralend hart in zijn rechterhand en een theologisch boek in zijn linkerhand, wat verwijst naar zijn status als kerkleraar en zijn mystieke geschriften over de goddelijke liefde.
Nicolaas van Tolentino draagt het zwarte habijt van de Augustijnen. Vooral de ster op zijn borst is een belangrijk herkenningsteken. Een kruis, boek of lelie kan daarbij komen.
Benedictus verschijnt als een oude abt in het zwarte benedictijnse habijt. Zijn staf en boek zijn gebruikelijke attributen. Soms verschijnt een raaf of een beker met een slang, verwijzingen naar gebeurtenissen uit zijn leven.
Romualdus is juist herkenbaar aan het witte habijt van de Camaldulenzer orde. Bij hem kunnen een staf, boek of schedel voorkomen. Hier vertelt de kleding dus al een belangrijk deel van het verhaal.
San Bernardino da Siena herken je aan het IHS-monogram in een stralende zon en zijn franciscanengewaad met koord. Hij wordt afgebeeld als een magere man met ingevallen gezicht. Soms liggen drie bisschopsmiters aan zijn voeten, verwijzend naar de drie bisdommen die hij weigerde.
Sint-Antonius van Padua herken je aan het kind Jezus, de witte lelie, het houten kruis en het boek. Hij draagt het franciscanengewaad met koord. Het kind verwijst naar een visioen, de lelie naar zuiverheid en het boek naar zijn geleerdheid en prediking.
5. Wanneer een attribuut niet genoeg is
Juist bij sommige heiligen moeten we voorzichtig zijn. Een bisschop met mijter en staf is nog niet automatisch een bepaalde heilige. Daarom moeten we soms verder kijken dan de figuur zelf. Wie staan er naast hem? Waar bevindt hij zich? Is er een opschrift? Welke andere scènes zijn op de muur afgebeeld? En vooral: waarom zou juist deze heilige op deze plaats zijn afgebeeld? Dat is geen tekortkoming van de beeldtaal. Het laat juist zien hoe intelligent zij werkt. De kunstenaar vertrouwt erop dat de toeschouwer niet naar één detail kijkt, maar naar het geheel.
Augustinus van Hippo wordt meestal als bisschop voorgesteld, met mijter, staf en een opengeslagen boek. Een brandend hart (symbool voor zijn vurige liefde voor God en de bekende passage uit zijn Belijdenissen: "U heeft ons hart geraakt met Uw liefde en onze harten waren onrustig totdes zij rust vinden in U.") kan hem verder identificeren. Maar alleen een bisschopsgewaad is onvoldoende.
Hetzelfde geldt voor Blasius, Severus en Magnus van Oderzo. Zij kunnen als bisschop worden voorgesteld, maar hun kerkelijke kleding onderscheidt hen niet van talloze andere bisschoppen. Bij Blasius kunnen kaarsen of een wolkam een belangrijke aanwijzing zijn. Bij Severus en Magnus van Oderzo is de context vaak doorslaggevend.
6. Heiligen herkennen aan hun gezelschap
Sommige figuren worden pas duidelijk wanneer we kijken naar de personen om hen heen. Hier verandert het kijken wezenlijk. We zijn niet langer op zoek naar één voorwerp, maar lezen de hele voorstelling als een zin.
Maria is daarvan het belangrijkste voorbeeld. Zij heeft geen enkel attribuut nodig om herkenbaar te zijn. Haar blauwe mantel, haar bijzondere plaats in de compositie en vooral haar relatie tot Christus maken haar identiteit duidelijk. Een lelie kan naar haar zuiverheid verwijzen; een kroon naar haar rol als Koningin van de Hemel.
Jozef van Nazareth is moeilijker wanneer hij alleen staat. Hij wordt vaak voorgesteld als een oudere man, met een bloeiende staf of lelie, soms met een geschenk, soms met het Christuskind. In een voorstelling van de Heilige Familie maakt vooral zijn relatie tot Maria en Jezus duidelijk wie hij is.
Ook Joachim en Anna, de ouders van Maria volgens de traditie, zijn vooral door de context herkenbaar. Joachim is een oudere man, Anna een oudere vrouw. Wanneer zij samen met de jonge Maria worden afgebeeld, ontstaat een beeldverhaal dat hun identiteit begrijpelijk maakt.
Nicodemus is een nog duidelijker voorbeeld. Hij heeft geen vast attribuut dat hem onmiddellijk onderscheidt van andere figuren. In voorstellingen van de Kruisafneming of Graflegging herkennen we hem vooral aan zijn handeling en plaats binnen het verhaal.
7. De plaatselijke heilige
Sommige heiligen zijn bovendien zo sterk verbonden met een bepaalde plaats dat hun identiteit vooral uit de lokale context kan worden begrepen. Dat is juist voor de kleine Italiaanse kerken belangrijk. Een heilige kan daar aanwezig zijn omdat hij de patroonheilige van de kerk, stad, beroepsgroep of broederschap is. Wie de context kent, kijkt daardoor anders naar dezelfde figuur.
Donnino is daarvan een voorbeeld. Hij verschijnt als martelaar en kan worden voorgesteld met een zwaard, palm of zijn afgehouwen hoofd. Maar zulke kenmerken zijn niet voldoende om hem zonder meer van andere martelaren te onderscheiden.
Ook Magnus van Oderzo en Severus vragen om voorzichtigheid. Hun bisschoppelijke kleding vertelt ons iets over hun functie, maar niet automatisch hun naam. Hier kan de plaatselijke cultus, de kerk waarvoor het kunstwerk werd gemaakt of de combinatie met andere heiligen de doorslag geven.
8. De heilige als beschermheer
De keuze van heiligen vertelt soms ook iets over de zorgen van de mensen die voor het kunstwerk stonden.
Rochus en Sebastiaan konden bescherming bieden tegen de pest. Blasius werd aangeroepen tegen keelziekten. Antonius Abt kreeg een belangrijke rol in de bescherming tegen ziekten en andere gevaren. Leonardus werd verbonden met gevangenen. Wanneer zulke figuren samen op een altaar of fresco verschijnen, vertelt hun aanwezigheid iets over de verwachtingen van de gelovigen. De kerk was niet alleen een plaats waar heiligen werden afgebeeld. Het was ook een plaats waar mensen hun bescherming zochten. Zo kan een klein attribuut uiteindelijk een groot verhaal openen: van een voorwerp naar een legende, van een legende naar een heilige, en van de heilige naar de gemeenschap die hem vereerde.
Literatuur en bronnen:
Ferguson, George. Signs & Symbols in Christian Art. New York: Oxford University Press, 1954.
Catalogo Generale dei Beni Culturali, Ministero della Cultura, Italië.
Zenmuseum.com / Symbolen in Renaissancekunst
http://kro-ncrv.nl/katholiek/encyclopedie