Kijken met de ogen van het quattrocento

In de zoektocht naar schoonheid hebben we kennisgemaakt met de ideeën die de renaissancekunst hebben gevormd. Leon Battista Alberti beschreef hoe een schilder een overtuigende voorstelling moest opbouwen. Marsilio Ficino zag schoonheid als een afspiegeling van het goddelijke, die de ziel kon verheffen. Giorgio Vasari beschouwde de schilder als een intellectueel schepper die met zijn disegno de zichtbare wereld ordende. Federico Zuccari ging nog een stap verder en zag schilderkunst als de uitdrukking van een innerlijk, geestelijk ontwerp dat in het kunstwerk zichtbaar wordt.

Maar hoe werden deze schilderijen eigenlijk ervaren door de mensen voor wie zij waren gemaakt?

Wanneer wij vandaag een vijftiende- of vroeg zestiende-eeuwse kerk binnenlopen, kijken wij meestal met de ogen van de eenentwintigste eeuw. We bewonderen de schildertechniek, herkennen de naam van de kunstenaar of maken een foto van een bijzonder fresco. De oorspronkelijke bezoekers zagen echter iets heel anders. Voor hen waren deze afbeeldingen geen museumstukken, maar levende onderdelen van hun geloof, hun dagelijks leven en hun wereldbeeld.

De Britse kunsthistoricus Michael Baxandall liet zien dat schilderijen uit het quattrocento pas werkelijk begrepen kunnen worden wanneer we proberen te kijken zoals hun eerste toeschouwers dat deden. Hun blik was gevormd door de liturgie, de Bijbel, de prediking en de cultuur van hun tijd. Zij herkenden onmiddellijk de afgebeelde heiligen, verstonden de betekenis van kleuren en gebaren en lazen een schilderij als een vertrouwde visuele taal.

In dit hoofdstuk verplaatsen we ons daarom in de oorspronkelijke beschouwer. Niet de kunstenaar staat centraal, maar degene die het schilderij zag, begreep en beleefde. Daarbij onderzoeken we hoe zijn cognitieve stijl werd gevormd, welke functie afbeeldingen in de kerk vervulden en hoe een schilder met een zorgvuldig opgebouwde istoria een religieus verhaal vertelde. Ook kijken we naar de taal van het lichaam, de groepering van figuren, de symboliek van kleuren, de werking van volumes, intervallen en verhoudingen en naar wat Baxandall het morele oog noemt: de overtuiging dat schoonheid en harmonie niet alleen het oog, maar ook de ziel konden vormen.

Door op deze manier te kijken, krijgen de verstilde schilderijen van Umbrië, Toscane, De Marken en Emilia-Romagna hun oorspronkelijke betekenis terug. Zij tonen niet alleen de artistieke idealen van de renaissance, maar openen ook een venster op de leefwereld van de mensen voor wie zij werden geschilderd.

Geraadpleegde literatuur:
Michael Baxandall, schilderkunst en de leefwereld in het quattrocento, Nijmegen : SUN, 1986
Visuele kunsten. Kunstgeschiedenis van de nieuwe tijd (deel 3), renaissance, manierisme en barok, Open Universiteit, Heerlen, 1992
Jan de Jong, het probleem van de wand: frescoschilderkunst in Italië, Kunst. Overlevering, verandering en vernieuwing. Een inleiding, essaydeel, Open Universiteit, Heerlen, 1998