Giovanni di Pietro detto Lo Spagna, Deposizione di Cristo (ca. 1520)
Santa Maria delle Lacrime, kapel van San Francesco in Trevi
Een schilderij wordt een ontmoeting
Hoewel het werk iets later is ontstaan dan de periode waarop Baxandall zich primair richt, sluit de manier waarop een zestiende-eeuwse gelovige het beeld las nog nauw aan bij het renaissance-period eye. Wanneer een bezoeker rond 1520 deze kapel binnenging, zag hij de Kruisafneming in een omgeving die sterk verbonden was met de liturgie en het Paasmysterie. De gestorven Christus, gedragen door zijn volgelingen, verwees naar een gebeurtenis uit het evangelieverhaal die in de liturgie ieder jaar opnieuw werd doorleefd. De figuren rondom Hem konden tegelijk voorbeelden zijn van verdriet, trouw en hoop. De beschouwer kende het verhaal van het lijden en wist dat de dood van Christus niet het einde betekende.
De Kruisafneming kon meer zijn dan een aangrijpend tafereel. Tijdens het gebed kon de gelovige zich in gedachten tussen de aanwezigen plaatsen en zich het moment voorstellen alsof hij er zelf bij was. Het fresco bracht het evangelieverhaal dichterbij en gaf het een plaats binnen zijn eigen geloofsbeleving.
In de volgende hoofdstukken bekijken we dit fresco zoveel mogelijk door de ogen van een tijdgenoot. Niet alleen vanuit onze moderne kunstgeschiedenis, maar vanuit de leefwereld waarin het beeld zijn oorspronkelijke betekenis kreeg.
De cognitieve stijl
Wat zag een gelovige onmiddellijk?
Een gelovige rond 1520 was vertrouwd met het verhaal van Christus' lijden. De liturgie van de Goede Week, de evangelielezingen en andere vormen van religieuze verbeelding hadden hem vertrouwd gemaakt. Bij het binnengaan van de kapel herkende hij Christus, zijn moeder Maria, Johannes, Maria Magdalena en de mannen die het lichaam naar het graf dragen.
De relaties tussen de figuren waren belangrijk. Christus staat centraal, maar het oog wordt ook getrokken naar de reacties van degenen die Hem omringen. Maria staat dicht bij haar gestorven Zoon; Johannes ondersteunt haar. Maria Magdalena richt zich met grote betrokkenheid op Christus. De mannen die het lichaam dragen, lijken hun beweging zorgvuldig op elkaar af te stemmen. Het verhaal hoefde dus niet eerst uitgelegd te worden. Het was aanwezig in de voorstelling zelf. Kijken betekende tegelijk herkennen en meebeleven.
De functie van afbeeldingen
Een fresco als dit kon binnen het gebed een belangrijke rol spelen. De gelovige kon zich in gedachten aansluiten bij de personen rond Christus en zich hun verdriet voorstellen. Vooral binnen de franciscaanse spiritualiteit kreeg het innerlijk meebeleven van het lijden van Christus veel aandacht. Het ging om een vorm van meditatief kijken: door zich zo concreet mogelijk voor te stellen wat er rond Christus gebeurde, kon de gelovige zijn eigen betrokkenheid bij het lijden en de verlossing verdiepen.
Ook de plaats waar het fresco zich bevond, speelde een rol. De Kruisafneming was geen losstaand beeld dat alleen bekeken werd. Zij maakte deel uit van een kapel waarin architectuur, liturgie en schilderkunst samenkwamen. De gebeurtenissen van Goede Vrijdag konden tijdens het gebed opnieuw dichtbij komen. Het schilderij werd zo een plaats waar de afstand tussen de gelovige en het Bijbelverhaal kleiner werd.
Istoria
Volgens Leon Battista Alberti moest een schilderij een overtuigend verhaal vertellen waarin de verschillende figuren samen de kracht van de voorstelling bepalen. Bij Lo Spagna is goed te zien hoe zo'n istoria kan werken.
Het lichaam van Christus vormt het middelpunt. Zijn armen hangen zwaar naar beneden en zijn benen worden door de dragers ondersteund. Aan die houding is zijn dood onmiddellijk af te lezen. Rondom Hem reageren de figuren ieder op hun eigen manier. Maria lijkt bijna stil te staan in haar verdriet. Johannes ondersteunt haar en kijkt naar Christus. Maria Magdalena maakt met haar houding duidelijk hoe sterk zij bij het gebeuren betrokken is. De dragers concentreren zich op hun taak.
Hierdoor ontstaat geen verzameling afzonderlijke figuren. Hun blikken en bewegingen houden de voorstelling bij elkaar. Het landschap op de achtergrond blijft rustig en krijgt weinig nadruk. De aandacht blijft bij het gebeuren op de voorgrond. Wie langer kijkt, merkt dat de beschouwer dicht bij de groep wordt gebracht. De afstand tussen het geschilderde gebeuren en degene die ervoor staat, wordt klein.
De taal van het lichaam
In de renaissance konden lichaamshoudingen en gebaren veel vertellen. Lo Spagna gebruikt die taal met opvallende terughoudendheid. Er zijn geen grote theatrale gebaren, de kleine bewegingen krijgen gewicht.
Het lichaam van Christus hangt zwaar tussen de mannen die Hem dragen. Hun gebogen ruggen en gespannen armen maken de last zichtbaar. Maria staat vlak bij haar Zoon en houdt haar handen dicht bij elkaar. Haar verdriet zit vooral in haar houding en in de manier waarop zij zich tot Christus verhoudt. Maria Magdalena heft haar hand op. Het is een klein gebaar, maar het trekt de aandacht naar haar reactie op het gestorven lichaam.
Ook de blikken van de andere figuren zijn belangrijk. Ze richten zich telkens weer op Christus en houden de groep bijeen. Voor een gelovige konden zulke houdingen bovendien een voorbeeldfunctie hebben. Medelijden, trouw, nederigheid en volharding waren geen abstracte begrippen; ze konden zichtbaar worden gemaakt in het gedrag van de figuren. Het lichaam wordt een middel om iets van hun innerlijke houding kenbaar te maken.
De groepering van de figuren
De figuren staan dicht om Christus heen. Het lichaam van Christus blijft het visuele middelpunt, ook al gebeurt er rondom Hem veel. De bewegingen van de verschillende personen leiden het oog telkens terug naar Hem.
De compositie heeft iets van een gezamenlijke beweging. De mannen dragen Christus naar het graf, terwijl de andere figuren zich om Hem heen verzamelen. Het is alsof de groep Hem begeleidt op het laatste deel van zijn aardse weg.
Ook de architectuur van de kapel doet mee. De boog boven de schildering omlijst de voorstelling en geeft haar een duidelijke plaats binnen de ruimte. Daarboven bevindt zich het halfronde fresco met de tronende kerkvader en engelen. Hierdoor ontstaat een verbinding tussen het gebeuren op aarde en de hemelse werkelijkheid die erboven wordt voorgesteld.
Wie in de kapel stond, zag dus niet alleen een geschilderde scène. De voorstelling maakte deel uit van een geheel waarin de architectuur de overgang tussen de aardse en de hemelse sfeer zichtbaar maakte.
De waarde van kleuren
Ook de kleuren dragen bij aan de manier waarop de voorstelling gelezen kan worden. Het bleke lichaam van Christus valt sterk op tegen de warmere kleuren van de kleding rondom Hem. Zijn dode lichaam wordt het eerste waar het oog steeds naar terugkeert.
Maria draagt haar donkere mantel, die haar figuur een bijzondere rust geeft. Johannes valt met zijn rode en groene kleding meer op. De kleuren van de figuren zorgen zo voor afwisseling zonder dat de groep uiteenvalt. Het landschap op de achtergrond is veel rustiger van toon en vormt een overgang naar de ruimte achter de figuren.
Het is verleidelijk om aan iedere kleur een vaste symbolische betekenis toe te kennen. Belangrijker is misschien wat er in de voorstelling als geheel gebeurt: de kleuren sturen het oog, brengen figuren naar voren of laten ze wat terugwijken en houden de aandacht bij Christus. Zo ontstaat een evenwichtige voorstelling waarin het verdriet van het moment niet los komt te staan van de hoop die de beschouwer vanuit het Paasverhaal al kent.
Volumes
De figuren hebben een duidelijk lichamelijke aanwezigheid. Vooral het lichaam van Christus maakt dat voelbaar. Het wordt niet licht en gewichtloos weergegeven, maar hangt zwaar tussen de mannen die het dragen.
Ook bij de andere figuren is aandacht voor volume. De plooien van hun kleding volgen de lichamen en geven de figuren massa. De gezichten zijn gemodelleerd en staan niet los van de ruimte waarin ze zich bevinden. Hierdoor ontstaat de indruk van mensen die zich werkelijk dicht bij elkaar bevinden. Dat is belangrijk voor de werking van het fresco. De beschouwer kijkt naar een gebeurtenis die zich in een geloofwaardige ruimte afspeelt. De heilige geschiedenis krijgt een lichamelijke en bijna tastbare aanwezigheid.
Intervallen en verhoudingen
De ruimte tussen de figuren is zorgvuldig verdeeld. Hoewel er veel personen in de voorstelling aanwezig zijn, blijft het geheel overzichtelijk. Christus krijgt voldoende ruimte om duidelijk zichtbaar te blijven, terwijl de andere figuren dicht genoeg bij Hem staan om hun betrokkenheid te tonen.
De zachte diepte van het landschap voorkomt dat de groep tegen een gesloten achtergrond wordt geplaatst. Achter de figuren ontstaat ruimte, waardoor het beeld kan ademen. De blik kan zich even van de voorgrond verwijderen en vervolgens weer naar Christus terugkeren. Die ordening geeft rust aan een scène die in wezen over verlies en verdriet gaat. Lo Spagna maakt de voorstelling aangrijpend zonder haar onrustig te maken.
Het morele oog
Een gelovige kon in dit fresco meer zien dan een aangrijpend moment uit het lijdensverhaal. De houdingen van de figuren konden ook als voorbeelden dienen. Johannes toont trouw, Maria Magdalena betrokkenheid en de mannen die Christus dragen volharding in hun moeilijke taak. Maria blijft dicht bij haar Zoon en draagt haar verdriet zonder grote gebaren.
De schoonheid van het schilderij zit niet alleen in de kleuren, de compositie of de manier waarop de lichamen zijn weergegeven. Het beeld kan de gelovige ook aanzetten tot nadenken over zijn eigen houding tegenover lijden, verlies en geloof.
De betekenis van het fresco komt uiteindelijk samen. Terwijl de blik rust op het dode lichaam van Christus, is voor de gelovige het vervolg van het verhaal al bekend. Goede Vrijdag staat niet op zichzelf. Achter de Kruisafneming ligt de verrijzenis.
De voorstelling markeert een overgang. De mannen dragen Christus naar het graf, maar voor de gelovige is dat graf niet het eindpunt. In die wetenschap kon het kijken naar dit fresco een persoonlijke ervaring worden: het verhaal van Christus' dood werd ook een verhaal over de hoop op nieuw leven.