De zoektocht naar schoonheid

Hoe de renaissance ons anders leerde kijken

Waarom ontstond de kunsttheorie?

De renaissance betekende niet alleen een bloeiperiode voor de kunst, maar ook voor het denken over kunst. Kunstenaars vroegen zich steeds vaker af wat een kunstwerk mooi maakt en waarom sommige werken ons diep kunnen raken. Tot in de middeleeuwen werden schilders en beeldhouwers vooral gezien als vakmensen. Hun technische vaardigheden werden bewonderd, maar hun werk werd nog niet beschouwd als een intellectuele of creatieve discipline.

Dat veranderde tijdens de renaissance. De kunstenaar ontwikkelde zich steeds meer tot een denker: iemand die niet alleen de natuur bestudeerde, maar ook nadacht over schoonheid, harmonie en de betekenis van zijn werk. De herontdekking van de Griekse en Romeinse filosofie is belangrijk. De geschriften van Plato en Aristoteles inspireerden kunstenaars en geleerden om opnieuw na te denken over de vraag wat schoonheid eigenlijk is. Is zij zichtbaar in de wereld om ons heen, of bestaat zij vooral in onze geest?

Uit deze zoektocht ontstond de kunsttheorie. Zij bood kunstenaars niet alleen praktische richtlijnen, maar ook een filosofisch kader. De vragen die in de renaissance werden gesteld, vormen nog altijd een belangrijk onderdeel van ons denken over kunst en schoonheid.

Twee visies op schoonheid

De renaissance kende geen eenduidig antwoord op de vraag wat schoonheid is. Twee filosofen uit de klassieke oudheid speelden een belangrijke rol: Plato en Aristoteles. Hun ideeën vormden eeuwenlang een uitgangspunt voor kunstenaars en kunsttheoretici.

Aristoteles zag de natuur als het grote voorbeeld. Wie aandachtig kijkt, ontdekt harmonie, evenwicht en mooie verhoudingen. De kunstenaar leert van de werkelijkheid en brengt die kennis samen in een kunstwerk dat de natuur niet alleen nabootst, maar haar soms zelfs kan vervolmaken.

Plato keek voorbij de zichtbare wereld. Volgens hem is de ware schoonheid niet tastbaar, maar behoort zij tot een hogere, geestelijke werkelijkheid. Een kunstenaar maakt niet alleen gebruik van zijn ogen, maar ook van zijn verbeeldingskracht en intuïtie. Het kunstwerk ontstaat eerst als een innerlijk beeld, voordat het zichtbaar wordt in verf of marmer.

Deze twee visies lijken tegenover elkaar te staan, maar in de renaissance kwamen ze naast elkaar voor en beïnvloedden ze het denken over kunst. De ene benadering zocht schoonheid vooral in de natuur, de andere in de kracht van de menselijke geest. Tussen die twee polen ontwikkelde zich een veelzijdige kunsttheorie.

Alberti: de schoonheid van harmonie

"De natuur is de eerste leermeester van de kunstenaar."

Leon Battista Alberti (1404–1472) was een van de eerste denkers die de beeldende kunst een stevige theoretische basis gaf. Voor hem was schoonheid geen toeval, maar het resultaat van harmonie. Wanneer alle onderdelen van een kunstwerk met elkaar in evenwicht zijn, ontstaat een gevoel van rust en volmaaktheid.

De natuur was zijn belangrijkste voorbeeld. Alberti vond dat een kunstenaar aandachtig moest kijken naar de wereld om zich heen. Niet om haar letterlijk te kopiëren, maar om haar te begrijpen. Uit de natuur kon hij de mooiste vormen en verhoudingen kiezen en die samenbrengen tot een ideaal geheel.

Volgens Alberti gaan vakmanschap en kennis hand in hand. Een kunstenaar moest zich verdiepen in perspectief, meetkunde en anatomie, maar vooral leren kijken. Wie de wetten van de natuur begrijpt, kan schoonheid zichtbaar maken. Zijn ideeën vormden een belangrijk uitgangspunt voor veel kunstenaars uit de renaissance en zijn nog altijd herkenbaar in kunst waarin evenwicht, helderheid en harmonie centraal staan.

Leon Battista Alberti, De pictura (1435)

Ficino: schoonheid als innerlijk licht

"Niet alles wat mooi is, is met de ogen alleen te zien."

Marsilio Ficino (1433–1499) gaf een andere betekenis aan schoonheid. Hij vertaalde de werken van Plato en bracht diens ideeën opnieuw onder de aandacht. Volgens Ficino is schoonheid meer dan een eigenschap van een voorwerp. Zij weerspiegelt iets dat groter is dan de zichtbare wereld.

Ware schoonheid raakt niet alleen het oog, maar ook de ziel. Een kunstwerk kan ons ontroeren omdat het iets laat voelen van een hogere werkelijkheid. Inspiratie, intuïtie en verbeeldingskracht spelen is belangrijk volgens Ficino, naast technische vaardigheid.

Hij gebruikte het begrip grazia: een moeilijk te omschrijven kwaliteit die een kunstwerk een natuurlijke elegantie en levendigheid geeft. Die gratie laat zich niet eenvoudig berekenen of aanleren. Zij ontstaat wanneer techniek en inspiratie samenkomen.

Bij Ficino verschuift de aandacht van de uiterlijke vorm naar de innerlijke beleving. Schoonheid wordt niet alleen iets wat we zien, maar ook iets wat we ervaren.

Marsilio Ficino, Commentarium in Symposium Platonis de Amore (1469)

Rafaël en Michelangelo: twee wegen naar het ideale

"Schoonheid kent vele gezichten."

Rafaël en Michelangelo behoren tot de grootste kunstenaars van de renaissance. Hoewel zij in dezelfde tijd leefden, verschilden hun opvattingen over schoonheid.

Rafaël zocht naar harmonie en evenwicht. Zijn schilderijen stralen rust uit en lijken zorgvuldig opgebouwd volgens ideale verhoudingen. De mens verschijnt zoals hij volgens de kunstenaar zou kunnen zijn: evenwichtig, waardig en mooi.

Michelangelo koos een andere weg. Hij geloofde dat een beeld al verborgen ligt in het marmer en dat de kunstenaar het slechts hoeft te bevrijden. Zijn figuren tonen kracht, spanning en emotie. Ze lijken niet alleen een lichaam te bezitten, maar ook een innerlijk leven.

Naast elkaar laten deze twee kunstenaars zien hoe verschillend het ideaal van schoonheid in de renaissance kon worden opgevat. Bij Rafaël ligt de nadruk op harmonie, bij Michelangelo eerder op de kracht en spanning van de menselijke figuur.

Vasari: de kunstenaar als schepper

"Een groot kunstwerk begint als een idee."

Met Giorgio Vasari (1511–1574) krijgt de kunstenaar een nieuwe plaats in de samenleving. In zijn beroemde boek Levens van de beroemdste schilders, beeldhouwers en architecten beschrijft hij kunstenaars niet alleen als ambachtslieden, maar als creatieve persoonlijkheden.

Volgens Vasari ontstaat een kunstwerk niet uitsluitend door technische vaardigheid. Alles begint met een idee, dat hij disegno noemt. Dit begrip betekent meer dan tekenen. Het gaat om het vermogen om een voorstelling eerst in de geest te vormen en haar vervolgens zichtbaar te maken.

Naast talent zijn studie en ervaring onmisbaar. Een kunstenaar ontwikkelt zich door goed te kijken naar de natuur, de klassieke oudheid en het werk van grote meesters. Uiteindelijk leert hij zelfstandig keuzes te maken en een eigen stijl te ontwikkelen.

Met Vasari verandert ook het beeld van de kunstenaar. Hij is niet langer alleen een vakman, maar iemand die ideeën vormt en deze in een kunstwerk tot uitdrukking brengt.

Giorgio Vasari, Le Vite de' più eccellenti pittori, scultori e architettori (1568)

Federico Zuccari: het kunstwerk ontstaat in de geest

"Elke schepping begint met een innerlijk beeld."

Federico Zuccari (ca. 1540–1609) bouwde voort op de ideeën van Vasari, maar legde nog sterker de nadruk op de scheppende kracht van de menselijke geest. Volgens hem ontstaat een kunstwerk niet op het moment dat de kunstenaar begint te schilderen of te beeldhouwen, maar al eerder: wanneer het idee in zijn verbeelding vorm krijgt.

Zuccari maakte onderscheid tussen het innerlijke ontwerp (disegno interno) en het uiterlijke ontwerp (disegno esterno). Het innerlijke ontwerp is de voorstelling die de kunstenaar in zijn geest vormt. Pas hierna krijgt dit idee gestalte in een tekening, schilderij of beeld.

Het zichtbare kunstwerk is dus de uitwerking van een innerlijke visie. De aandacht van het nauwkeurig nabootsen verschoof van de natuur naar de creatieve vermogens van de kunstenaar zelf. De natuur bleef een belangrijke inspiratiebron, maar uiteindelijk bepaalt de geest hoe een kunstwerk vorm krijgt.

Zuccari gaf de kunstenaar een bijna filosofische rol. Hij zag hem niet alleen als vakman, maar als iemand die een onzichtbaar idee zichtbaar maakt. Zijn opvattingen vormden een belangrijke stap in de ontwikkeling van het denken over kunst en beïnvloedden latere generaties kunstenaars en theoretici.

Federico Zuccari, L'Idea de' Pittori, Scultori ed Architetti (1607)

Ook Giovan Paolo Lomazzo legde de nadruk op de innerlijke oorsprong van kunst. Volgens hem ontstaat een kunstwerk eerst in de geest voordat het zichtbaar wordt op doek of in steen. Schoonheid is uiteindelijk meer dan een uiterlijke vorm; zij heeft een geestelijke en zelfs goddelijke oorsprong.

Bellori en Winckelmann: de erfenis van de klassieke oudheid

"Soms laat het verleden ons zien wat tijdloos is."

Na de renaissance bleef de vraag naar schoonheid kunstenaars en theoretici bezighouden. Twee denkers, Giovanni Pietro Bellori en Johann Joachim Winckelmann, keken opnieuw naar de kunst van de oude Grieken.

Bellori vond dat een kunstenaar de natuur niet zomaar moest nabootsen. De werkelijkheid is immers onvolmaakt. De ware kunstenaar kiest uit de natuur alleen het mooiste en brengt die elementen samen tot een ideaal beeld. Kunst laat zo niet de wereld zien zoals zij is, maar zoals zij zou kunnen zijn.

Winckelmann ging nog een stap verder. Hij zag in de Griekse beeldhouwkunst het hoogste voorbeeld van schoonheid. Volgens hem onderscheiden de Griekse kunstenaars zich door wat hij omschreef als 'edele eenvoud en stille grootsheid'. Hun beelden zijn krachtig zonder overdreven emoties en stralen rust, evenwicht en waardigheid uit.

Met deze ideeën droeg Winckelmann bij aan de ontwikkeling van de kunstgeschiedenis als wetenschappelijke discipline. Zijn bewondering voor de klassieke oudheid zou kunstenaars nog lange tijd blijven inspireren.

Geraadpleegde literatuur:
Drs. J. Falkenburg-Klein, visuele kunsten, theoretische kunstgeschiedenis, (deel 1), regels en inventie, de kunsttheorie van de renaissance, Open Universiteit, Heerlen, 1989