Regionale tradities in beweging:
kunsttradities en invloeden in Umbrië en Zuid-Toscane
De monumentale schilderkunst in Umbrië en Zuid-Toscane ontwikkelde zich niet geïsoleerd. Kunstenaars reisden van stad naar stad, ateliers wisselden ideeën uit en opdrachtgevers richtten zich op de grote kunstcentra van Midden-Italië. Siena, Florence en Rome hadden ieder hun eigen betekenis. Vanuit Siena kwamen verfijnde lijnvoering, rijke kleuren en een sterk devotionele beeldtaal. Florence bracht vanaf de vijftiende eeuw een nieuwe belangstelling voor perspectief, ruimte en de menselijke figuur. Rome had op enkele momenten een andere, maar eveneens belangrijke invloed, onder meer via de Byzantijns-Romeinse traditie rond 1300 en later via de barok. De plaatselijke schilderkunst nam deze ontwikkelingen op zonder haar eigen karakter te verliezen.
Vooral Siena was in Zuid-Toscane en delen van Umbrië lange tijd van grote betekenis. De Sienese schilderkunst was minder gericht op een natuurgetrouwe weergave van de zichtbare wereld dan op het oproepen van een hemelse werkelijkheid. Elegante figuren, verfijnde contouren, rijke kleuren, sierlijke plooien en zachte gezichtsuitdrukkingen geven de voorstellingen een tijdloze en verstilde uitstraling.
In de Chiesa di San Francesco in Lucignano zijn deze kenmerken goed te zien in de fresco's die worden toegeschreven aan Bartolo di Fredi, Taddeo di Bartolo en hun navolgers. Het gaat onder meer om voorstellingen uit het leven van Franciscus, de Stigmatisatie en de Epifanie. Ook het altaarstuk van Luca di Tommè sluit bij deze traditie aan. In Arezzo bleef de Sienese invloed eveneens lang zichtbaar, onder meer in het werk van Andrea di Nerio en in het gewelf van de Bacci-kapel, dat vóór Piero della Francesca werd beschilderd door Bicci di Lorenzo.
In Montefalco sluit de Kroning van Maria in de Chiesa di Sant’Agostino, toegeschreven aan een kunstenaar uit de kring van Ambrogio Lorenzetti, eveneens aan bij deze beeldtaal. De vroege fresco's van Giovanni di Corraduccio Mazzaforte en Jacopo di Vinciolo vertonen een vergelijkbare verfijnde lijnvoering, heldere composities en ingetogen devotie. Omdat veel van deze schilderingen nog op hun oorspronkelijke plaats aanwezig zijn, kan de Sienese schilderkunst hier niet alleen als stijl worden bekeken. Zij maakt nog altijd deel uit van de religieuze ruimte waarvoor zij oorspronkelijk bedoeld was.
Vanaf de vijftiende eeuw veranderde het artistieke landschap. Florence werd een belangrijk centrum van vernieuwing. Kunstenaars besteedden meer aandacht aan perspectief, anatomie, ruimte en de menselijke figuur. Heiligen en Bijbelse personages kregen een overtuigender lichamelijke aanwezigheid en werden vaker geplaatst in herkenbare architectonische ruimten. De schilderkunst verbeeldde niet alleen het geloof, maar ook de zichtbare wereld waarin de religieuze verhalen zich afspeelden.
Deze ontwikkelingen bereikten ook Zuid-Toscane. In Arezzo zijn ze zichtbaar in het werk van verschillende kunstenaars uit de vijftiende en vroege zestiende eeuw. Het meest bijzondere voorbeeld is Piero della Francesca. Hij behoorde niet tot de Florentijnse traditie, maar nam wel veel van de nieuwe renaissanceprincipes in zijn werk op. In de Legende van het Ware Kruis in de Bacci-kapel brengt hij perspectief, geometrie en helder licht samen met monumentale figuren en een opmerkelijke rust. Zijn schilderingen laten zien hoe de nieuwe belangstelling voor ruimte en waarneming in Midden-Italië een geheel eigen vorm kon krijgen. Arezzo was een plaats waar verschillende artistieke tradities elkaar ontmoetten.
Ook in Monte San Savino en andere plaatsen in de Val di Chiana werd de Florentijnse renaissance verbonden met oudere regionale tradities. In Montefalco bracht Benozzo Gozzoli rond het midden van de vijftiende eeuw de kleurrijke vertelkunst en ruimtelijke opbouw van de Florentijnse renaissance naar de Chiesa di San Francesco en het Convento di San Fortunato. Kunstenaars als Pietro Perugino, Giovanni Battista Caporali, Francesco Melanzio en Tiberio d'Assisi werkten in deze omgeving verder. Het perspectief en de harmonische opbouw van de renaissance kregen bij hen een plaats naast de ingetogen religieuze beeldtraditie van Umbrië.
Rome speelde in Zuid-Toscane een beperktere rol, maar op twee momenten is de invloed duidelijk herkenbaar. Aan het einde van de dertiende eeuw is in Arezzo bij Montano d'Arezzo een schilderkunst zichtbaar waarin Toscaanse, Umbrische en Romeins-Byzantijnse elementen samenkomen. Zijn fresco's in de Chiesa di San Domenico hebben monumentale figuren, krachtige contouren en een nog sterk hiëratische beeldtaal. Ze laten zien dat kunstenaars en beeldtradities zich al vóór de grote vernieuwingen van de veertiende en vijftiende eeuw over regionale grenzen heen bewogen.
Pas in de zeventiende eeuw werd Rome opnieuw duidelijk zichtbaar in de schilderkunst van Arezzo, toen de barok zich vanuit de pauselijke stad over Italië verspreidde. In de kathedraal van Arezzo tonen de laatste drie gewelven, geschilderd door Salvi Castellucci, een andere beeldtaal: meer beweging, dramatiek en emotionele betrokkenheid.
De kunstgeschiedenis van Umbrië en Zuid-Toscane is moeilijk in afzonderlijke scholen onder te brengen. Siena, Florence en Rome leverden belangrijke impulsen, maar kunstenaars in plaatsen als Arezzo en Montefalco maakten hier hun eigen keuzes in. Oude en nieuwe vormen bleven naast elkaar bestaan en konden binnen één kerk zelfs letterlijk naast elkaar te zien zijn: een Sienese fresco, een Florentijns renaissancewerk en een plaatselijke schildering kunnen deel uitmaken van dezelfde ruimte. Hierdoor geven de kerken van deze regio een goed beeld van de manier waarop artistieke veranderingen in Midden-Italië zich werkelijk voltrokken: niet als een plotselinge vervanging van het ene door het andere, maar door toevoeging, aanpassing en voortzetting.