De kunst van de muur
Fresco's in de Florentijnse, Sienese, Aretijnse en Umbrische traditie
De ontwikkeling begint in Città di Castello, waar de vroege Umbrische meesters nog duidelijk verwant zijn aan de Sienese schilderkunst. Vervolgens verplaatst het zwaartepunt zich naar Montefalco, waar Giovanni di Corraduccio, Jacopo di Vinciolo en Francesco Melanzio de traditie een eigen gezicht geven. Met Benozzo Gozzoli bereikt de Florentijnse renaissance Umbrië, zonder de verstilde aard van de Umbrische schilderkunst te verdringen. Daarna voeren Perugino en Pinturicchio de traditie naar haar artistieke hoogtepunt in Panicale, Spello en Trevi, waarna Lo Spagna en Tiberio d'Assisi haar nog eenmaal verrijken met de monumentaliteit van de Hoge Renaissance.
Fresco's en de architectuur
Van alle schildertechnieken uit de Italiaanse middeleeuwen en renaissance is het fresco misschien wel het sterkst verbonden met de architectuur. Een fresco wordt rechtstreeks op een muur of gewelf geschilderd, terwijl de pleister nog nat is. Tijdens het drogen trekken de pigmenten in het pleisterwerk. De schildering wordt onderdeel van de muur zelf. Dat maakt een fresco wezenlijk anders dan een schilderij op paneel of doek: het hoort bij de plek waarvoor het werd gemaakt.
Die verbondenheid bepaalde ook de manier waarop een fresco tot stand kwam. De muur werd eerst van verschillende lagen pleister voorzien. Vervolgens kon de schilder slechts een beperkt oppervlak per dag afwerken voordat de pleister droog was. De compositie moest daarom vooraf zorgvuldig worden voorbereid, met ondertekeningen en soms grote kartons op ware grootte. Bij omvangrijke opdrachten was bovendien een goed georganiseerde samenwerking nodig tussen de meester en zijn assistenten.
In de renaissance groeide het fresco uit tot de belangrijkste vorm van monumentale schilderkunst. Hele muren, kapellen en kloosters werden gevuld met scènes die samen één beeldverhaal vormden. De schilderkunst werd steeds meer onderdeel van de architectuur. De plaats van een scène, de richting van de blikken en gebaren en de verhouding tot de ruimte waren allemaal van belang. Dat is nog altijd goed te zien in veel Italiaanse kerken. Een fresco beleef je niet los van de ruimte waarin het zich bevindt. Het daglicht, de hoogte van het gewelf, de architectuur en de schilderingen beïnvloeden elkaar. Wie een beschilderde kerk binnenkomt, kijkt niet naar een reeks afzonderlijke afbeeldingen, maar naar een geheel waarin de schilderkunst de ruimte een bepaalde betekenis en sfeer geeft.
Van Giotto tot Rafaël: de ontwikkeling van de frescokunst
Vanaf het begin van de veertiende eeuw veranderde de manier waarop schilders religieuze verhalen in beeld brachten. Giotto speelde een belangrijke rol. Zijn figuren hebben gewicht en volume, bewegen zich in herkenbare ruimten en reageren zichtbaar op wat er om hen heen gebeurt. In de fresco's van de Arena-kapel in Padua wordt bijvoorbeeld duidelijk hoe dicht de gebeurtenissen bij de menselijke ervaring worden gebracht. De emoties van de figuren zijn niet langer alleen onderdeel van een religieus verhaal; ze worden ook voelbaar voor degene die ervoor staat.
Na Giotto werd verder gewerkt aan de weergave van ruimte en het menselijk lichaam. Schilders zochten naar manieren om figuren overtuigender in een interieur of landschap te plaatsen. Het gebruik van perspectief speelde een steeds grotere rol. Ook de compositie werd zorgvuldiger georganiseerd: lijnen, blikken en gebaren konden de bezoeker als vanzelf naar een bepaalde figuur of gebeurtenis leiden.
Hiermee veranderde ook de verhouding tussen het beeld en zijn beschouwer. Bijbelse gebeurtenissen kregen soms een omgeving die herkenbaar was als een Italiaanse stad of werden bevolkt door tijdgenoten van de schilder en de opdrachtgever. De grens tussen de wereld van het verhaal en de wereld van de bezoeker werd minder scherp. Een figuur die uit de voorstelling lijkt te kijken, of een gebaar dat naar buiten de scène verwijst, kan de bezoeker rechtstreeks bij het verhaal betrekken.
Leon Battista Alberti beschreef in De pictura hoe een schilder een voorstelling zo kon opbouwen dat de blik van de beschouwer door de compositie werd geleid. Schilderkunst moest volgens hem niet alleen iets voorstellen, maar ook een reactie bij degene die kijkt teweegbrengen.
In de hoge renaissance werd dit streven verder ontwikkeld door kunstenaars als Rafaël. In zijn fresco's in de Stanze van het Vaticaan komen architectuur, figuren en compositie samen in voorstellingen waarin de ruimte bijna als een toneel wordt gebruikt. De schilderkunst probeert de toeschouwer niet alleen iets te laten zien, maar hem ook een plaats binnen de voorstelling te geven. Hierin ligt een belangrijk kenmerk van de Italiaanse frescokunst. Een fresco is gebonden aan een muur, een kapel of een klooster, maar binnen die vaste omgeving kan de schilder een hele wereld oproepen. De architectuur wordt onderdeel van het verhaal en de bezoeker maakt hier, al kijkend en bewegend door de ruimte, zelf deel van uit.
Geraadpleegde literatuur:
- Jan de Jong, Het probleem van de wand: frescoschilderkunst in Italie, Kunst. Overlevering, verandering en vernieuwing, Essaydeel, Open Universiteit, Heerlen, 1998
- Evelyn Welch, Art in Renaissance Italy 1350-1500, Oxford History of Art, University Press, 2000
- John T. Paoletti, Gary M. Radke,Art in Renaissance Italy, Harry N. Abrams, Inc., 2001
- Keytoumbria.com