Altaar en altaarstuk
Inleiding
Een altaarstuk, ook wel retabel genoemd, is een geschilderde of gebeeldhouwde decoratie die op of achter een altaar is geplaatst. Het is van oorsprong geen zelfstandig kunstwerk, maar onderdeel van de liturgische inrichting van een kerk. Om het altaarstuk te begrijpen, is het goed eerst te kijken naar de functie van het altaar zelf.
Vanaf de eerste eeuwen van het christendom vormde het altaar het liturgische middelpunt van de kerk. Hier werd de eucharistie gevierd, waarbij brood en wijn werden geconsacreerd tot lichaam en bloed van Christus. Het altaar bestaat uit een draagconstructie (stipes) met daarop de mensa, het rechthoekige tafelblad waarop de liturgie plaatsvindt. Aanvankelijk bezat een kerk meestal één altaar: het hoogaltaar. Vanaf de zesde eeuw nam het aantal altaren geleidelijk toe. Naast het hoogaltaar verschenen zijaltaren, soms in afzonderlijke kapellen, maar ook tegen muren, pijlers of zuilen. Die ontwikkeling hing nauw samen met de groeiende verering van relieken en heiligen. Altaren werden gewijd aan een bepaalde heilige, aan een geloofsmysterie zoals de Heilige Drie-eenheid of de Hemelvaart, of aan een heilige plaats of reliek. Ook het gebruik om missen op te dragen voor individuele gelovigen of bepaalde groepen droeg bij aan de uitbreiding van het aantal altaren.
In de vroegchristelijke kerk werden vooral de ruimten rond het altaar versierd. Boven het hoogaltaar waren vaak mozaïeken of wandschilderingen te zien in de apsis of de vieringkoepel. Ook zijaltaren konden door schilderingen of mozaïeken worden omlijst. Het altaar zelf werd meestal bedekt met een rijk versierd antependium: een bekleding van textiel, hout of metaal aan de voorzijde van de altaartafel. Vooral in de elfde en twaalfde eeuw ontstonden kostbare antependia van verguld metaal, soms ingelegd met edelstenen. Vanaf de elfde eeuw verschenen ook decoraties óp het altaar, maar het altaarstuk bleef lange tijd een uitzondering. Pas in de dertiende eeuw begon het zich geleidelijk te verspreiden. Vanaf de vijftiende eeuw was het in grote delen van Europa een vast onderdeel van de inrichting van het altaar.
Waarschijnlijk ontwikkelden de eerste altaarstukken zich uit bestaande antependia, die van de voorzijde van het altaar naar boven werden verplaatst. In Noord-Europa ontstond zo een traditie van rijk uitgewerkte retabels in edelmetaal. In Italië, waar antependia vaak uit beschilderde houten panelen bestonden, vormden deze panelen een directe voorloper van het geschilderde altaarstuk.
Een mooi voorbeeld is het beschilderde antependium van de Meester van San Felice (ca. 1250), in de collectie van de Galleria Nazionale dell'Umbria in het Palazzo dei Priori in Perugia. Centraal staat Christus in Majesteit op een troon, omgeven door een amandelvormige lichtkrans en de vier evangelistensymbolen. Aan weerszijden wordt het lijdensverhaal van de Umbrische martelaar en bisschop San Felice verteld, van zijn arrestatie tot zijn onthoofding. Aan de randen zijn kleinere figuren van profeten en apostelen aangebracht. Zo ontstaat een beeldprogramma waarin het martelaarschap van San Felice wordt verbonden met het grotere verhaal van Christus en de overwinning van het geloof op de dood.
Waarom in de dertiende eeuw deze nieuwe vorm van altaardecoratie ontstond, is niet met zekerheid te zeggen. Veranderingen in de liturgie lijken een belangrijke rol te hebben gespeeld. Oorspronkelijk stond de priester achter het vrijstaande altaar, met zijn gezicht naar de gelovigen. In de loop van de middeleeuwen veranderde de manier waarop de mis werd opgedragen en kwam de priester steeds vaker aan de andere zijde van het altaar te staan, met zijn rug naar de kerkgangers. Hiermee ontstond ruimte voor een geschilderde of gebeeldhouwde voorstelling achter het altaar.
Ook de veranderende betekenis van de eucharistie speelde een rol. Op het Vierde Concilie van Lateranen in 1215 werd de leer van de transsubstantiatie officieel bevestigd: tijdens de eucharistie veranderen brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus. Het altaar kreeg als plaats van het eucharistisch mysterie een nog nadrukkelijker betekenis. Een rijk versierd altaarstuk kon die betekenis zichtbaar maken en tegelijk duidelijk maken aan welke heilige of welk geloofsmysterie het altaar was gewijd.
De voorstelling op een altaarstuk verwijst meestal naar de titulus, de wijding van het altaar. Maria kan bijvoorbeeld worden afgebeeld bij haar kroning of tenhemelopneming. Bij heiligen zien we vaak scènes uit hun leven of martelaarschap. Ook gebeurtenissen uit het leven van Christus – zijn geboorte, doop, kruisiging of verrijzenis – behoren tot de meest voorkomende onderwerpen. Het altaarstuk vertelt niet zomaar een religieus verhaal. De voorstelling sluit aan bij de betekenis van de plaats waar zij zich bevindt en maakt zichtbaar welk heilig verhaal of mysterie hier tijdens de liturgie wordt gevierd.
Geraadpleegde literatuur:
Bram de Klerck, Geschilderde altaarstukken, Kunst. Overlevering, verandering en vernieuwing, essaydeel, Open Universiteit, Heerlen, 2002
Bram Kempers, Paneelschilderingen in Pisa, Siena en Florence: sociogenese van het altaarstuk, Kunst, macht en mecenaat, Het beroep van schilder in sociale verhoudingen 1250-1600, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, Antwerpen, 1999
Lieselot de Jong, Italiaanse schilderkunst 1325-1525, Bonnefanten Museum, Maastricht, 1995